- loose
- adj. vrij; vrijgelaten; ontspannen; los; onverzorgd; onnauwkeurig--------adv. los, vrij--------v. losmaken, loslaten; afschieten; losgooienloose1[ loe:s] 〈zelfstandig naamwoord〉1 (vrije) uiting ⇒ de vrije loop2 (staat van) vrijheid ⇒ losbandigheid♦voorbeelden:1 give (a) loose to • de vrije loop laten aan2 on the loose • vrij; 〈informeel〉aan de zwier————————loose2〈bijvoeglijk naamwoord; looser; looseness〉1 los ⇒ slap, open2 vrij ⇒ bevrijd, ongehinderd3 wijd ⇒ ruim, soepel4 onnauwkeurig ⇒ inexact5 ongedisciplineerd ⇒ lichtzinnig♦voorbeelden:1 loose ends • losse eindjes; 〈figuurlijk〉onvolkomenheden, onafgewerkte zaken2 break/get loose • uitbreken, ontsnappencut loose • (met moeite) weggaan, zich losmaken; los/op gang komenlet loose • vrij laten, de vrije hand laten; ontketenen4 loose talk • gezwam in de ruimte5 have a loose tongue • loslippig zijna loose woman • een lichtzinnige vrouw¶ be at a loose end, 〈Amerikaans-Engels〉be at loose ends • niets om handen hebbenhave a screw loose • ze zien vliegen〈Amerikaans-Engels; informeel〉 hang/stay loose • kalm blijven, relaxen————————loose3〈werkwoord〉1 losmaken ⇒ bevrijden; 〈scheepvaart〉 losgooien2 afschieten ⇒ lanceren♦voorbeelden:2 loose off a volley • een salvo afvuren————————loose4〈bijwoord〉1 losjes
English-Dutch dictionary. 2013.